Miyamoto Musashi, de Samoerai en Zen

Artikel geplaatst met goedkeuring van sensei André Brockbernd
Verschenen in de Tokon, het clubblad van Stichting Dokan te Zeist
Geschreven voor: Vincent Boukema
Copyright © Stichting Dokan

Gemiddelde beoordeling van dit artikel: 8 (189 lezers)

 

"Algemeen gesproken is de weg van de Samoerai het vastberaden accepteren van de dood" - Miyamoto Musashi

Toen Miyamoto Musashi (1584-1645) dertien jaar was, versloeg hij zijn eerste tegenstander. Deze Arima Kihei, een samoerai van de Shinto Ryu, werd door Musashi op de grond geworpen en met een stuk hout op het hoofd geslagen toen hij probeerde op te staan. In de jaren daarop zouden velen het lot van Kihei delen. Meer dan zestig tegenstanders zijn door Musahi verslagen. De meesten van hen zouden het niet meer na vertellen, doorkliefd door een van Musashi’s twee zwaarden, al dan niet van hout. Miyamoto Musashi vergaarde gedurende zijn leven niet alleen veel roem als zwaardvechter en grondlegger van het Ichi Ryu NiTo (Eén school, twee zwaarden) maar ook als zen-boeddhist, calligraaf en suiboku schilder (inktschilderingen). In de grot waar hij de laatste jaren van zijn leven doorbracht, schreef hij het Go Rin No Sho (boek van vijf ringen), dat op zijn sterven overhandigd werd aan één van zijn discipelen. Hoe moet deze man geduid worden? Hij kamde nooit zijn haar, ging moordend door het leven maar liet ook schone inktschilderingen na. Bovendien schreef hij een verhandeling die heden ten dage nog wordt gelezen door uiteenlopende mensen als sensei Dirk Heene en de Japanse zakenman die meedogenloos zaken wil leren doen. Om een oordeel te kunnen vellen moet gekeken worden naar het tijdsgewricht waarin Musashi leefde, de cultuur, religie en naar tijdgenoten die in een vergelijkbare situatie terecht waren gekomen.

 

Historische setting
Miyamoto Musashi werd geboren en leefde in een tijd dat de Japanse maatschappij een grote omwenteling doormaakte. Na een eeuw van burgeroorlogen werd Japan verenigd onder Tokugawa Ieyasu (1542-1616) die vrede bracht en het Tokugawa Shogunaat vestigde. Onder diens voorganger Toyotomi Hideoshi (1536-1598) waren al een aantal belangrijke maatregelen genomen om de maatschappelijke orde te stabiliseren. Zo vond onder hem de befaamde ‘zwaard jacht’ plaats die boeren beroofde van hun wapens. Voortaan mochten alleen samoerai het langzwaard dragen. Het werd boeren, landarbeiders en ambachtslui verboden zich elders te vestigen of een ander beroep uit te oefenen. Bij overtredingen werd de (dorps)gemeenschap collectief verantwoordelijk geacht en zwaar gestraft. Op deze manier ontstond een zeer rigide klassensysteem dat tot in de negentiende eeuw stand hield.

De Samoerai en Bushido
“Iemand die de weg van de krijger alleen cultiveert in tijden van oorlog is als een rat die zijn belager bijt op het moment dat hij gevangengenomen dreigt te worden. Die man mag sterven door de effecten van de vergiftigde beet, maar moedig optreden voor de vuist weg is niet de weg van de krijger. Om de weg van de krijger pas te bewandelen bij het uitbreken van een oorlog is als de rat die zijn belager bijt. Hoewel dit beter is dan vluchten, zal de ware meester van de weg zijn martiale discipline handhaven in tijden van vrede”
Uit de Koro Shodan

Musashi oefent met twee stokken. Uit een serie prenten van Kuniyosho, ca. 1848

 


Inktschildering op papier, gemaakt door Musashi
De samoerai, een verzamelnaam voor de strijdende klasse in Japan, kwam aan het einde van de twaalfde eeuw aan de macht met de vestiging van het Kamakura Shogunaat en behield haar greep op het politieke leven tot de Meiji restauratie in de negentiende eeuw een eind maakte aan het Tokugawa Shogunaat. Deze groep ontwikkelde in de loop der eeuwen bepaalde gedragscodes en gebruiken die later bekend zouden staan als Bushido. Bushido stond niet alleen voor beheersing van de krijgskunsten en de martiale geest maar ook voor absolute trouw, een sterk ontwikkeld eergevoel, plichtsbesef en de bereidwilligheid het leven te offeren in strijd of ritueel. Hoewel in de periode voorafgaand aan Tokugawa een bushi-ethiek gebaseerd op absolute trouw al vorm kreeg, was de trouw van veel samoerai aan hun meesters nog geenszins onvoorwaardelijk. De relatie tussen samoerai en meester was contractueel en vele samoerai streefden fanatiek hun eigenbelang na. Dit leidde tot een sterk wisselende loyaliteit en wisselende coalities. Deze tijd stond dan ook bekend om het fenomeen gekoju, of te wel: het hogere wordt omver geworpen door het lagere.

Gedurende het leven van Musashi werd de onafhankelijkheid van de samoerai steeds verder beperkt. Ze werden gescheiden van het platteland en moesten verhuizen naar de steden waar ze een vaste uitkering kregen in rijst. De samoerai werden steeds afhankelijker van het Shogunaat of hun regionale heersers door een aantal oorzaken: hun directe controle over land en boeren waren drastisch verminderd, ze werden afhankelijk van een uitkering in een vastgestelde hoeveelheid rijst in een periode van stijgende kosten en hun kansen op promotie waren danig geslonken door het ontbreken van oorlog en het internationale isolement. In een dergelijke positie gemanoeuvreerd, zagen velen zich genoodzaakt onvoorwaardelijk trouw te zweren aan hun heersers. Gedurende Tokugawa werden de samoerai langzaam omgevormd van krijgers tot een heersende elite die zich bezig hield met administratieve en bestuurlijke taken.

Het was in dit rustige klimaat dat bushido als ethische leidraad van de samoerai tot bloei kwam. De rituele zelfdoding, seppuku of harakiri genaamd, werd geleidelijk aan verheerlijkt als de ultieme uiting van trouw en moed.

Miyamoto Musahi “U moet veel oefenen” (Musashi)

Shinmen Musashi No Kami Fujiwara No Genshin, beter bekend als Miyamoto Musahi, werd geboren in 1584 in de provincie Mimasaka of Harima als zoon van Shinmen Munisai die dienst deed in het leger van de heer Katô Kigomasa. Al vroeg in zijn jeugd verloor hij zijn ouders en werd opgevoed door een oom, een boeddhistische priester. Hij volgde al op jonge leeftijd zijn vader op door in dienst te treden van Kigomasa. In 1600, op zestienjarige leeftijd, werd Musashi een zogenaamde ronin, een meesterloze samoerai omdat zijn heer Kigomasa de verliezende kant had gekozen bij de slag van Sekigahara.

Musashi verliet zijn geboorteplaats om een ‘pelgrimstocht van de samoerai’ te maken. Een tocht die hem naar eigen zeggen meer dan zestig overwinningen zou brengen in zwaardgevechten en hem in zes veldslagen deed belanden. In die tijd ontwikkelde hij zijn Nito Ryu stijl, een stijl van zwaardvechten waarbij twee zwaarden gebruikt werden. In 1640 werd hij schermleraar bij de Hosokawa daimio familie in Kumamoto. Volgens de overlevering werd Go Rin No Sho geschreven in een berggrot in 1643 en op het sterven van de meester overhandigd aan één van zijn discipelen.

Het boek is verdeeld in vijf delen: Aarde, Water, Vuur, Wind en Leegte, hetgeen overeenkomt met de vijf elementen van het boeddhistische universum. In het eerste deel Aarde legt Musashi uit wat volgens hem de weg van de samoerai inhoudt. Het deel Water betreft de technisch aspecten van het zwaardvechten. In het derde deel Vuur worden tactische en geestelijke zaken besproken die van belang zijn voor de zwaardvechter. Het vierde deel Wind geeft een overzicht van andere stijlen en legt uit waarom deze stijlen in zijn ogen niet deugen. In het laatste deel Leegte geeft Musashi aanwijzingen hoe de juiste weg gevonden kan worden.

Zen en het zwaard
“Geen gedachten, geen reflectie,
Perfecte leegte:
Toch roert zich iets,
Zijn eigen weg volgend.”
Een vers over het zwaardvechten uit de geheime documenten van de Shinkagu-ryu school. Zen boeddhisme is ontstaan in China nadat in de eerste eeuw het boeddhisme uit India geïntroduceerd werd. Hoewel het Chinese denken gestimuleerd werd door de Indiase ideeën, verloren de Chinezen nooit de dagelijkse realiteit uit het oog. Uit de wisselwerking tussen abstractie en realiteit ontstond het zenboeddhisme. In de twaalfde eeuw werd het zen boeddhisme in Japan geïntroduceerd door Eisai en Dogen.

 

Zen kloosters onderscheidden zich van de traditionele Indiase sanga-kloosters door hun democratische karakter en hun praktijkgerichte bezigheden. Elke monnik, ongeacht leeftijd of status, deed lichamelijke arbeid en het klooster hield zich het liefst bezig met nuttige en economisch aantrekkelijke activiteiten.

Het Zen boeddhisme voorziet in twee wegen om verlichting, satori, te bereiken: een verbale en een fysieke. Bij de verbale stelt de meester een cryptische vraag, koan, aan zijn student die de vraag op een intuïtieve manier moet zien op te lossen. De fysieke methode probeert de discipel zelf satori te laten voelen door middel van lichamelijke arbeid of plotselinge schokeffecten. Het doel van zen-training is de discipel te doen realiseren dat zen de dagelijkse ervaringen zijn, dat het moet voortkomen uit je innerlijke leven. Zen probeert hierbij de barrière te slechten tussen het bewustzijn en het onderbewustzijn, om intuïtief en spontaan te leren handelen, niet gehinderd door zelf opgelegde beperkingen van het bewustzijn en het intellect.

Dat de band tussen zen en het zwaardvechten zo nauw is geworden, nauwer dan die tussen zen en andere kunsten, wordt verklaard uit het feit dat bij zwaardvechten de dood altijd gevaarlijk dichtbij is. Maakt de zwaardvechter een verkeerde beweging dan is hij er ten dode opgeschreven. Hij moet instinctief handelen, niet intellectueel. Bij een strijd op leven en dood is tijd alles en moet die op de meest efficiënte manier benut worden.

Zen benadrukt het belang van het bereiken van een staat van ‘no-mindness’, mushin. Zen is overtuigd van de waarde van anticipatie en herinnering, zaken die de mens onderscheiden van het dier, maar in situaties van leven en dood moet dit bewustzijn opgeheven worden zodat het niet de vloeiende geest en daarmee de bliksemsnelle reactie zal belemmeren. De perfecte zwaardvechter moet boven het vraagstuk van leven en dood staan. De zwaardvechter die vrij is van alle gedachten, van alle emoties voortkomend uit angst, onzekerheid of de wil om te winnen, is zich niet bewust van het gebruik van het zwaard: zowel man als zwaard worden instrumenten in de handen van het onderbewuste. Het is dit onderbewuste dat volgens zen de bron is van alle creativiteit. Het in ieder mens aanwezige instinct tot zelfbehoud zal in een dergelijke staat al zijn vermogens aanspreken om de zwaardvechter te doen overleven en daarmee te overwinnen.


Wapenrusting in de stijl van de 16e eeuw

Musashi en zen
“Wanneer in een tweegevecht de vijand minder bekwaam is dan wij zelf en als zijn ritme van slag is of als hij wil vluchten en zich terugtrekken, moeten wij hem op staande voet verpletteren en ons niet om zijn aanwezigheid bekommeren en hem geen tijd geven adem te halen.”
Musashi in Go Rin No Sho

Op zestienjarige leeftijd besloot Musashi een ‘pelgrimstocht van de samoerai’ te ondernemen. Hij zou jarenlang door Japan zwerven om zich te perfectioneren in het zwaardvechten, hij zou allerlei ontberingen ondergaan en ervaringen opdoen met verschillende zwaardvecht-stijlen. Het gebruik om een dergelijke tocht te maken, hadden de samoerai overgenomen van zen-boeddhistische monniken die vergelijkbare tochten ondernomen in hun streven naar verlichting. Deze gewoonte stond bij zen-boeddhisten bekend als angya, ‘lopend reizen’, terwijl zwaardvechters het musha-shugyo noemden, ‘training in krijgmanschap’.

Het Go Rin No Sho is sterk zen-boeddhistisch van aard en benadrukt het bereiken van de staat van leegte. Musashi had echter één karaktereigenschap dat in strijd is met het boeddhisme: hij had sterk de behoefte zich te bewijzen en zich beter te tonen dan anderen. Veel zwaardvechters heeft hij gedood met geen doel dan aan te tonen dat hij beter was en zijn strategie superieur. D.T. Suzuki schrijft in zijn Zen and Japanese Culture (Princeton N.Y. 1959, p.145) hierover:

“Het zwaard wordt geassocieerd met doden, en de meeste van ons vragen zich af hoe de connectie ontstond met zen, dat een vorm van Boeddhisme is die liefde en vergeving predikt. Het is een feit dat de kunst van het zwaardvechten een onderscheid maakt tussen het zwaard dat doodt en het zwaard dat leven geeft. Het zwaard dat gehanteerd wordt door een technicus kan niet meer dan doden, want er wordt alleen een beroep op gedaan met de intentie te doden. Voor een zwaardvechter die gedwongen wordt om het zwaard te trekken is dit geheel anders. Het is namelijk niet de zwaardvechter maar het zwaard dat in een dergelijk geval doodt. Hij heeft geen behoefte om iemand kwaad te doen, maar de vijand verschijnt en maakt zichzelf slachtoffer. Het is alsof het zwaard automatisch zijn functie vervult als brenger van gerechtigheid.”

Er zijn weinig gevallen geweest waarin Musashi gedwongen was het zwaard te trekken. Hij zocht zijn tegenstanders bewust op dus was van zelfverdediging geen sprake. Hij lijkt veeleer op de technicus die zijn zwaard trekt om te doden. Musashi’s wrede aard staat ook in schril contrast met die van een bekende zwaardvechter uit de zeventiende eeuw, Yagyu, die schrijft dat:

“Alle wapens bedoeld om te doden zijn onheilspellend, en moeten nooit gebruikt worden behalve in momenten van extreme urgentie. Indien enige wapens gebruikt worden, maak het kenbaar dat ze alleen gebruikt worden voor het bestrijden van het kwaad en nooit voor het nemen van levens”

Tenslotte
Hoe moet je nu oordelen over Musashi? Is hij meer moordenaar dan kunstenaar? Een meedogenloze man die vooral uit was op status en prestige of een leermeester? Onder andere door de romans die er zijn verschenen over zijn leven is hij een bijna mythische figuur geworden. In ieder geval kan een zwaardvechter als Yagyu die geen grote dodenlijst op zijn naam heeft staan maar wel een florerende school heeft geleid, veel eerder rekenen op mijn sympathie dan Musashi.


Geef uw oordeel over de inhoud van deze pagina
12345678910
slecht uitstekend